Is UMTS-straling gevaarlijk of juist niet?

Het gemeentebestuur van Alkmaar wil het aantal zendmasten flink uit breiden. Als mensen een nieuwe mast voor hun deur krijgen, vragen ze zich vaak af of de straling gevaarlijk is. De Gezondheidsraad zegt dat we ons geen zorgen hoeven te maken. Op de website StopUMTS worden echter veel onderzoeken beschreven die een verband constateren tussen straling vanaf een bepaalde sterkte en klachten als hoofdpijn, concentratieverlies en verstoorde slaap. Ook zijn er aanwijzingen dat mobiel telefoneren leidt tot meer hersentumoren. Wie heeft er nu gelijk?

De Gezondheidsraad vindt het geconstateerde verband tussen straling en de genoemde klachten onvoldoende bewijs om te concluderen dat er ook een oorzakelijk verband bestaat. Als mensen zeggen dat ze last hebben, zou dat bijvoorbeeld ook inbeelding kunnen zijn. Pas als aangetoond wordt wat er in het menselijk lichaam gebeurt waardoor bijvoorbeeld de hoofdpijn ontstaat weten we zeker wat de oorzaak ervan is. Zover is het onderzoek dus nog niet. De conclusie van de Gezondheidsraad gaat echter verder dan de stand van het onderzoek m.i. rechtvaardigt. Zij gaat er vanuit dat zolang het onderzoek geen sluitend antwoord geeft er geen gevaar is. Die conclusie is echt uit de lucht gegrepen. Het is een veronderstelling die niet met behulp van de beschikbare onderzoeksresultaten kan worden bewezen. De waarheid is dat we het gewoon nog niet weten.

In 2005 heeft de Alkmaarse gemeenteraad vanwege deze onzekerheid over mogelijke gezondheidsrisico’s uit voorzorg besloten geen nieuwe masten meer te plaatsen op gemeentelijke terreinen. De providers trekken nu echter opnieuw aan de bel. Zij vrezen dat er binnenkort gaten zullen vallen in de dekking van het mobiele netwerk. Je zal daar dan met een mobieltje onvoldoende bereik hebben. Wat is nu wijsheid? Vinden we verdere ontwikkeling van de mobiele telefonie belangrijker dan eventuele schade aan onze gezondheid? Het mooiste zou natuurlijk zijn als we kunnen blijven telefoneren, maar dan met een zo laag mogelijk risico. Vanuit die gedachte hebben onderzoekers de koppen internationaal bij elkaar gestoken. In hun BioInitiative Report uit 2007 pleiten zij voor een realistisch maximum aan toegestane straling. Het voorgestelde maximum is 0,6 Volt per meter. GroenLinks Alkmaar neemt dat idee over. In Eindhoven werd in 2008 de werkelijke straling in en rondom woningen gemeten. Die was maximaal 0,8 Volt per meter. Dus niet eens zoveel meer als het voorgestelde maximum van 0,6.

Waarom pleit GroenLinks voor een maximum dat in de huidige praktijk al bijna wordt gehaald? Om als gemeente onnodige gezondheidsschade te voorkomen. En laten we bovendien de bevolking erop attent maken, dat voorkomen beter is dan genezen. Metingen bij ons thuis wezen uit dat onze DECT-telefoon en WiFi-installatie meer straling gaven dan de zendmast tegenover onze woning. We hadden onze eigen zendmasten in huis gehaald. Als ik mensen hierover spreek, blijkt bijna niemand zich te realiseren dat aan deze apparaten gezondheidsrisico’s kleven. Door weer te kiezen voor een vaste telefoon en internet via de draad hoeft niemand deze risico’s meer te lopen.

Toekomst verzorgingsstaat: economie, staat en geest.

22 augustus
2010. Hoe moet het nu verder met de verzorgingsstaat sinds de marktwerking niet
gebracht heeft wat er van werd verwacht? Men vindt dat tussen staat en markt
een nieuwe rolverdeling moet komen. Het toezicht op de banken moet strakker.
Uitbesteding van overheidstaken aan de markt is op zijn retour. Voor een echte
nieuwe taakverdeling moeten we volgens mij echter de vraag van drie kanten
bekijken: naast markt en staat ook de cultureel-geestelijke sector in
uitgebreide zin, waar dan ook traditionele onderdelen van de verzorgingsstaat
als onderwijs en gezondheidszorg onder vallen.

Toezicht op de banken moet strenger. De economie heeft
te veel speelruimte gehad. Maar professionals in bijvoorbeeld zorg of onderwijs
moeten juist meer de ruimte krijgen en de bureaucratische verantwoordingsplicht
moet minder, dat is de nieuwe tijdgeest sinds het politieke optreden van Pim
Fortuyn. In het regeerakkoord van Balkenende IV werd in 2007 de gemeenschap weer
meer gewicht toegekend ten opzichte van het individu dan decennia lang het
geval was geweest. In het onderwijs moest de overheid moest zich volgens de
parlementaire enquêtecommissie Dijsselbloem (2008) alleen nog bezig houden met
het “wat” van het onderwijs en niet meer met het “hoe”. In de afgelopen
verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer stond echter bitter weinig concreets
over deze zaken in de partijprogramma’s. Er is kennelijk nog een lange weg te gaan
van theorie naar praktijk.

 

Een aantal Nederlandse auteurs houdt zich al jaren met
deze zaak bezig. Achterhuis schreef recent over “de utopie van de vrije markt”.
Van der Lans schreef al drie heel concrete boekjes over de gewenste nieuwe
speelruimte voor de publieke sector. Tonkens werkt verder aan haar idee van de
“mondige burgers, getemde professionals”. Ook zij stelt, dat professionals in
de publieke sector, denk bijvoorbeeld aan onderwijs en zorg, niet steeds meer
bureaucratische verantwoording zouden moeten afleggen aan de overheid, om zo meer
tijd over te houden voor hun echte werk. De verantwoordingsplicht gaat uit van
wantrouwen en dat werkt contraproductief.

 

Komen we er verder mee als we de samenleving zien als
bestaande uit de drie deelsystemen economie, politiek en cultuur? Ligt het
probleem niet grotendeels bij het over het hoofd zien van het geestelijk-culturele
leven? Vooral het “vrije geestesleven” is telkens in de verdrukking. Habermas
analyseert hoe in de moderne tijd door economisering en bureaucratisering economie
en staat de persoonlijke “leefwereld” van mensen binnendringen en aan zich
ondergeschikt maken. Een beeldend kunstenaar als Dikker ziet dat daardoor in
het overheidsbeleid artistiek-inhoudelijke kwaliteitscriteria worden vervangen
door marktgerichte en kunsthistorische criteria en authenticiteit en
vakbekwaamheid uit beeld verdwijnen. Tonkens spreekt over de drie logica’s van
markt, bureaucratie en professionaliteit. In de publieke sector komt de
professional klem te zitten tussen de veeleisende, mondige burgers en de
verantwoordingsplicht vanuit de overheid.

 

Tonkens heeft de drie logica’s met elkaar vergeleken.
Voor de markt is efficiëntie de centrale waarde, voor de bureaucratie
rechtsgelijkheid en voor het professionalisme inhoudelijke kwaliteit. Juist
omdat de speelruimten van economie en politiek nu ten koste gaan van cultuur
vind ik het interessant om bij Tonkens te lezen aan welke speelruimte de
professionele logica behoefte heeft. De professional stelt zich in dienst van het
welzijn van de cliënt. Maar niet van wat de klant wil of kan betalen, maar wat
de klant werkelijk nodig heeft. De professional is niet direct dienstbaar aan
de cliënt zelf, maar aan een hoger doel, een geestelijke waarde, zoals
gezondheid, welzijn of waarheid. Vanuit opleiding en ervaring is de
professional in staat om te beoordelen wat de cliënt nodig heeft. Omdat de
professional werkt met mensen en elk geval uniek is, heeft hij of zij vrije
beslissingsruimte nodig en krijgt deze nu onvoldoende. De alsmaar toenemende
standaarden en protocollen kunnen hooguit hulpmiddelen zijn.  De eigen deskundigheid moet meer erkenning
krijgen en de regeldruk vanuit de overheid moet veel minder en anders. Er moet
er wel sprake zijn van afstemming van het oordeel van de professional op het
verhaal van de cliënt. Want de cliënt weet wel beter hoe het voelt om met haar
of zijn probleem te leven en wat zij of hij er voor over heeft om het op te
lossen.

 

Steiner, grondlegger van de antroposofie, heeft zich
ook met de gezonde samenleving bezig gehouden. Ook hij onderscheidde daarbij
drie geledingen: geestesleven, rechtsleven en economisch leven, die hij
koppelde aan respectievelijk vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hij pleit
ervoor het bestuur van de samenleving in drie geledingen te splitsen, die
zichzelf besturen en met elkaar omgaan als waren het soevereine staten. Ook het
geestesleven, dat onderwijs, gezondheidszorg, cultuur enzovoort omvat, zou op
eigen benen moeten staan en een overkoepelend bestuur moeten hebben. Over
bijvoorbeeld de benodigde financiële middelen zou het dan moeten overleggen en
onderhandelen met de besturen van de economie en de staat. Voor mij nog altijd
een inspirerende gedachte. Het geestesleven omvat alles wat uit de individuele
vermogens van de enkeling voortkomt. Het moet zijn plaats in een gezonde
samenleving enerzijds krijgen vanuit haar eigen impulsen, zeg
professionaliteit, en anderzijds laten afhangen van begrip en waardering bij
mensen die haar prestaties ontvangen. Mensen zouden bijvoorbeeld hun eigen
dokter of school moeten kunnen kiezen, waarvan de professionele deskundigheid
niet door de staat, maar door gezondheidszorg en onderwijs zelf zouden moeten
worden gegarandeerd. Daarbij zou niet de inhoud centraal moeten worden
voorgeschreven, maar een vrij geestesleven ruimte moeten geven aan allerlei verschillende
richtingen.

 

Als we onze samenleving in de toekomst zo willen
inrichten, dat de publieke sector van onderwijs, gezondheidszorg enzovoort,
waarin professionaliteit centraal staat, gezonder functioneren, zal er dus
speelruimte van economie en staat moeten verschuiven richting
geestelijk-cultureel leven. Het is de hoogste tijd dat daar serieus werk van
wordt gemaakt. Eigenlijk is het probleem van de verzorgingsstaat volgens mij
echter veel fundamenteler. Het hele geestelijke leven, waaronder het
verantwoordingsbesef van de gemiddelde burger, maar ook de maatschappelijke
verantwoordelijkheid in dienst waarvan de economie zich zou moeten stellen, is
in mijn ogen toe aan een flinke opknapbeurt.

 

Zie voor de in de tekst
besproken literatuur: Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Paul Dikker,
Oordelen over kwaliteit, zie http://www.pauldikker.nl/pd.artikel8.htm. Jürgen Habermas: zie artikel Paul Dikker. Jos v.d. Lans: Koning Burger; Ontregelen; en: Erop af! Zie http://www.josvdlans.nl/. Rudolf Steiner, De kernpunten van het sociale vraagstuk. Evelien Tonkens, Mondige burgers, getemde professionals.

De maatschappij als kunstwerk

31 juli 2010. Over levenskunst wordt
veel geschreven. Mijn google zoekmachine geeft op dit trefwoord 81.900
resultaten. Als ik “maatschappij als kunstwerk” in typ, krijg ik slechts 9
resultaten. Houdt de vraag hoe we de samenleving beter kunnen maken niemand meer
bezig? Hebben wij inmiddels collectief de overtuiging dat macht, gemakzucht en
hebzucht het uiteindelijk altijd winnen van het streven de maatschappij te
verbeteren? In discussies over mobiliteitsbeleid hoor je bijvoorbeeld vaak
zeggen, dat wat we ook proberen er toch telkens meer auto’s bij zullen komen.
Ik vind dat een onverteerbaar idee. Waarom zouden “lagere” driften zoals het
streven naar gemak, genot, eer, geld en roem het altijd moeten winnen van het
streven om het leven meer in overeenstemming met onze idealen in te
richten?

 

De vraag naar het leven als
kunstwerk is gerelateerd aan het vermogen van de mens om zichzelf en daarmee
zijn leven te verbeteren, in de Griekse filosofie heet dat een “deugdzaam” mens
te worden. Een verdergaande vraag daarachter is of de mens vrij is dan wel kan
zijn. Daarvoor moet dan eerst het begrip vrijheid gedefinieerd worden. Spinoza,
Steiner en Dohmen geven daar elk een iets ander antwoord op.*) Maar zij allen
geloven dat de mens in staat is door aan zichzelf te werken op een hoger moreel
peil te komen. Zij zien daarbij een hoger persoonlijk moreel peil samengaan met
socialer en maatschappelijk verantwoorder gedrag. Ook ik ben overtuigd van die
mogelijkheid. In het verlengde daarvan ben ik er ook van overtuigd, dat ook de
samenleving verbeterd kan worden, mits wij bereid zijn daar de nodige moeite
voor te doen. De vraag is niet of de samenleving verbeterd kan worden. De vraag
is of wij bereid zijn daar ons voor in te zetten en er zo nodig offers voor te
brengen.

 

Alle drie genoemde auteurs
bevestigen, dat die morele verbetering ook zaken als onze zielenrust, gevoel
van zinvolheid en geluk vergroot. Met ander woorden de inspanning die gedaan
moet worden om gemak, genot, eer geld en roem te offeren aan een sociaal en
ethisch verantwoorde persoonlijke inzet is ook een investering die de persoon
zelf ten goede komt. De volgende kwestie is dan of men bereid is deze
inspanningen te doen. Het is duidelijk dat in onze tijd het pessimisme daarover
verregaand overheerst. Maar elke maatschappelijk verantwoorde daad weegt mee
aan de positieve zijde van de balans. Als iedereen elektriciteit uit
alternatieve energiebronnen gebruikt, is het broeikaseffect snel opgelost.
Kortom de maatschappij kan mooier, beter en meer waardevol gemaakt worden. Als wij
bereid zijn daaraan onze eigen bijdrage te leveren.

 

*)Joep Dohmen, Het leven als kunstwerk; A. Patijn, A. v. Rijsdam, B. Teerds, Benedictus de Spinoza, Rudolf Steiner: een
vergelijkend onderzoek
, op: http://weblog-at.blogspot.com

Culturele verheffing vraagt meer dan hoogwaardige kunst en beschouwingen over moraal

30 juli 2010. Rob Riemen, de organisator van de jaarlijkse Nexus-lezingen, schreef het boek “Adel van de geest”. Hij houdt daarin een boeiend pleidooi voor herwaardering van Kunst en Cultuur als bronnen van edele moraal. Het publiek krijgt in zijn ogen onder andere door de commerciële massamedia voorgespiegeld, dat vrijheid betekent: rijk, machtig en beroemd zijn. De menselijke waardigheid is in het gedrang. Om het herstel van menselijke waarden te bevorderen, pleit Riemen voor meer aanzien voor hogere kunst en – verdergaand – adel van de geest. Een echte plaatsing daarvan in de context van de hedendaagse maatschappij ontbreekt helaas echter grotendeels in zijn boek.

 

Ook intellectuelen hebben in de
twintigste eeuw hogere waarden ondergeschikt gemaakt aan de rechten van de
massa’s. Linkse intellectuelen praatten bijvoorbeeld leugens van het communistische
Rusland goed. Juist intellectuelen zouden moeten pleiten voor elitecultuur.
Ware kunst en filosofie bevorderen immers zielenrijkdom en ontwikkelen het
vermogen om deugdzaam te handelen.

 

Riemen is een fan van Thomas Mann.
Hij beschrijft diens fundamentele verwarring toen tijdens de Eerste
Wereldoorlog duidelijk werd dat zijn pleidooi voor adel van de geest niet meer
houdbaar was zonder de politiek-maatschappelijk context erbij te betrekken.
Daarvoor had Mann democratie afgewezen, omdat die op gespannen voet zou staan
met verheffing en middelmaat in de hand zou werken. Mann emigreerde in de jaren
dertig zelfs naar de Verenigde Staten omdat onder Hitler alle democratie en
daarmee vrijheid voor kunstenaars verdwenen. Hier stopt ook zo ongeveer Riemens
analyse van de maatschappelijke voorwaarden voor hoogwaardige cultuur.

 

Ik heb een grote bewondering voor de
moed die Riemen toont door de fundamentele vragen over de kwaliteit van het
samenleven aan de orde te stellen. Hij opent als een van de weinigen in onze
tijd het perspectief op een weg naar boven. Volgens mij is echter een bredere
analyse nodig om te achterhalen waarom oppervlakkigheid en middelmaat in onze
cultuur belangrijker lijken dan kwaliteit en ethiek. Cultuur omvat meer dan
elitekunst.  Globaal gesproken domineert
de economie ons maatschappelijk leven verregaand, ten koste van de cultuur in
de zin van het ontwikkelen van menselijke waarden en vermogens. Drie
voorbeelden daarvan. Het is niet vanzelfsprekend, dat massamedia commercieel
mogen zijn. Dat maken onze wetten mogelijk. Daardoor hebben kijkcijfers nu meer
invloed op de programma’s dan inhoudelijke kwaliteit. Dat werkt de
oppervlakkigheid in de hand. Ten tweede is ons onderwijs grotendeels op
materieel nut en het kwalificeren voor een beroep gericht in plaats van op het
ontwikkelen van eigenheid, persoonlijke kwaliteiten en het vermogen om het leven
naar eigen inzicht in te richten. Derde voorbeeld: investeren van kapitaal is
“vrij” in plaats van dat er voorwaarden worden gesteld om kapitaal
maatschappelijk verantwoord te investeren.

 

Adel van de geest acht ik van groot
belang. Ik ben daarbij geen pessimist, die denkt dat het vroeger veel beter met
het gemiddelde morele peil van mensen gesteld was. Maar in deze tijd waarin we
steeds meer en wereldwijd allemaal van elkaar afhankelijk zijn, moeten ook het
bestuur en de inrichting van het samenleven mee veranderen. Randvoorwaarde voor
alle economie moet zijn dat de natuurlijke rijkdom van de aarde niet wordt
aangetast. De economische ontwikkeling moet uiteindelijk ondergeschikt worden
gemaakt aan mogelijkheid van mensen om zichzelf te ontwikkelen. Als mens, als
medemens en als geestelijk wezen.

Echte wetenschap berust op liefde: de filosofie van mijn opa

19 maart 2010. Het is frappant hoezeer mijn grootvader
voorin de twintigste eeuw tot dezelfde fundamenten voor zijn levensopvatting
kwam als ik twee generaties later. Dat besefte ik pas ver na zijn dood toen ik
zijn opstellen onder ogen kreeg. Liefde, openbaring en wonderen verbond mijn
opa met een pleidooi voor eigen oordeelsvorming, het verwerpen van geloof
louter op grond van gezag, de wetenschap als toetssteen en de wens inzichten in
het dagelijkse leven te kunnen gebruiken. Voor mij leidde de antroposofie tot in
wezen dezelfde overtuigingen.

 

Mijn opa heb ik meegemaakt tot ik ongeveer zes jaar was. Hij
was een aimabele man, die graag een gulden of zelfs rijksdaalder op een wondje
legde als je daarmee thuiskwam. Hij speelde Bach en kerkgezangen op het
harmonium. Vijf en twintig jaar was hij als gemeentesecretaris een van de
bekende persoonlijkheden in Zwijndrecht, het tuindersdorp waar mijn vader
opgroeide, dat in mijn kinderjaren veranderde in een overloopgebied voor op
Rotterdam georiënteerde forensen. Ik voelde mij zeer aangetrokken tot mijn opa
zonder dat ik wist waarom. In de nalatenschap van mijn vader ontdekte ik later
zijn gedichten, gelegenheidsverzen en afleveringen van zijn column “Brief uit
Holland”, vermoedelijk uit “Nieuws van de week”, dat in Nederlands Indië (nu
Indonesië)  verscheen. Hij schreef
eveneens in het blad voor gereformeerde gemeentesecretarissen.

 

Ik trof ook twee lezingen “Over het Christendom” aan, die
hij vermoedelijk in de jaren dertig in Dordrecht gaf. De ontdekking dat mijn
opa zich in zijn leven bezig heeft gehouden met dezelfde fundamentele vragen als
ik ontroerde mij. Opgegroeid in een ongelovig milieu in Drachten werd hij in
een christelijke studentenvereniging met het christendom geconfronteerd. Na
Nietsche en Freud bestudeerd te hebben, verdiepte hij zich toen in het
christendom. Tot zijn verrassing vond hij hier antwoorden op vele vragen. In de
kern vormde hij zich zo de volgende visie.

 

Alleen door een werkelijk belangeloze toewijding aan een
onderwerp, dat wil zeggen door christelijke liefde, geeft de natuur haar
geheimen prijs. De natuurwetenschap in West-Europa is geboren toen de
menselijke geest genoeg geschoold was in de oefeningen van de Middeleeuwse
theologie. Sinds Descartes nemen wij de waarheid echter niet meer op gezag aan,
maar alleen als zij ons als zodanig blijkt. Descartes kwam op tegen de
denkmethode van de scholastische theologie, die volgens de methode van het
gezag redeneerde. De autoriteiten die deze methode volgde waren Aristoteles en
de Bijbel. Volgens mijn opa kwam Descartes’ protest tegen de gezagsmethode
juist voort uit een christelijke waarheidsdrang. Descartes ging volgens hem te
ver door het geloof aan het eigen oordeel en aan de zintuiglijke waarneming als
onverenigbaar met het geloof op gezag voor te stellen. Want, aldus mijn opa, op
de zuivere waarneming geeft de natuur haar geheimen niet prijs. Men moet zijn
object liefhebben. Ook in de internationale politiek kan vrede alleen tot stand
komen als men bereid is zijn vijanden lief te hebben. Wie liefheeft, ziet de
feiten heel anders. Begaafdheid voor een vak wil zeggen de gave om dat vak te
kunnen liefhebben. Het begrip wordt ons gegeven door  “ingevingen”. Die noemt het christendom
ingevingen van de Heilige Geest. God zendt de Heilige Geest als een bode van
inzicht. Ook via Christus komt die boodschap tot ons. Gezag en oordeel lossen
zich op in een overkoepelende openbaring. De openbaring is in wezen een
bovenwetenschappelijk wonder.

Klaas van Egmond, Een vorm van beschaving

17 december 2010

Klaas van Egmond, van 1988 tot 2008 directeur van het Milieu- en Natuurplanbureau, het belangrijkste adviesbureau van de overheid in milieuzaken, schreef Een vorm van beschaving. Daarin bespreekt hij oplossingen voor de duurzaamheidsproblematiek vanuit het perspectief van de waarden in de er achterliggende mens- en wereldbeelden. Voor wie het gevoel heeft, dat de huidige (internationale) politiek lang geen afdoende greep heeft op de milieuproblemen, is het een verademing eens wat verder te kijken dan de dagelijkse, doorgaans ontmoedigende  krantenberichten hierover. Hij zou mooi zijn als dit boek zou bijdragen aan een brede maatschappelijke coalitie voor duurzaamheid.

Door zijn invalshoek kan Van Egmond ecologische, economische,
technologische en sociaal-culturele aspecten met elkaar in verband brengen. Zo
hebben bijvoorbeeld het doorgaande verlies aan biodiversiteit en de dreigende, te
grote klimaatopwarming als gemeenschappelijke oorzaak, dat bedrijven en
consumenten de milieukosten ervan niet hoeven te betalen. De economie eet als
het ware de ecologie op. De kosten verschuiven naar toekomstige generaties.

Economische groei moet vanuit de waarden van een wereldbeeld
gerechtvaardigd te kunnen worden. Groei kan alleen zinvol zijn als deze
bijdraagt aan een menswaardig leven. Als we dit voorbeeld bezien vanuit de
wereldbeelden, komen we tot de volgende conclusie. Een eenzijdig egoïstisch,
materialistisch wereldbeeld is een grote bedreiging voor het milieu.
Bevrediging van basisbehoeften als voedsel, kleding en onderdak dient een
menswaardig bestaan, maar als luxebehoeften, zoals elk jaar op vakantie met het
vliegtuig (“wat lekker voor je, joh!”), het milieu onevenredig belasten, zijn
zij vanuit dat wereldbeeld niet te rechtvaardigen. Daarmee wordt de
eenzijdigheid van dit wereldbeeld duidelijk. En wordt inzichtelijk, dat meer
wereldbeelden noodzakelijk zijn om te beoordelen wanneer economische groei
gerechtvaardigd is.

De vier toekomstscenarios’s die tegenwoordig vaak gebruikt
worden bij onderzoek voor overheidsbeleid, zie bijvoorbeeld de Structuurvisie
Noord Holland, voegt de schrijver samen tot een overkoepelend, integraal
wereldbeeld, dat zo alle mogelijke wereldbeelden omvat. Vanuit geen van de vier
wereldbeelden kan duurzaamheid afdoende tot stand gebracht worden. Van Egmond
pleit dan ook voor politieke samenwerking over partijgrenzen heen vanuit middelpuntzoekende krachten. Eenzijdige
wereldvisies, die geen respect tonen voor mogelijke andere visies, kunnen alleen
maar contraproductief, middelpuntvliedend
werken.

Het integrale wereldbeeld geeft mij een invalshoek om veel
maatschappelijke problemen mee te beoordelen. Zo ben ik het met de schrijver eens,
dat bijvoorbeeld speculatie met aandelen of grond niet te rechtvaardigen is. Zij
dienen geen maatschappelijk, menswaardig doel. De grote hoeveelheid reclames
die de media dagelijks over ons uitstorten, zijn ook niet te verdedigen vanuit
menselijke waarden. Zij zetten aan tot het verheerlijken van consumptie, in een
tijd waarin de onduurzame consequentie van overconsumptie is dat andere wereldbewoners niet eens voldoende te eten hebben. De draagkracht van de aarde raakt uitgeput. Ik hoop dat Van Egmonds pleidooi vele bepleiters van duurzaamheid tot elkaar
zal brengen.

http://wetenschappelijkbureau.groenlinks.nl/files/Paternalisme%20van%20de%20maatschappelijke%20samenhang%20-%20lezing%20Klaas%20van%20Egmond%20-%207%20oktober%202010_0.pdf

Gezondheidsrisico zendmasten vermijdbaar met integraal wereldbeeld?

Oorspronkelijk geplaatst 19-12-2010

Op een flat in de Alkmaarse Emmastraat werden binnen een week na aankondiging daarvan nieuwe antennes geplaatst voor mobiele telefonie en draadloos internet. De oudere bewoners voelen zich erdoor overvallen en maken zich ongerust over de gezondheidseffecten van de straling. Ik deel hun ongerustheid en heb het Alkmaarse college gevraagd of zij dat ook doet. Het meest absurde van zendmasten is de overbodige patstelling waarin voor- en tegenstanders zich bevinden. Masten met een veel minder hoog stralingsniveau zouden volstaan om het mobiele netwerk te laten functioneren. Waarom gebeurt dat niet?

 

Mijn vorige blog schreef ik over het integrale wereldbeeld van Klaas van Egmond. Om bijvoorbeeld milieuproblemen op te lossen, zouden maatschappelijke groeperingen met verschillende wereldbeelden respectvol naar elkaar kunnen luisteren en zo tot een breed gedragen oplossingspakket kunnen komen. Op het terrein van de zendmasten lijkt dat goed mogelijk. Het Kennisplatform Veilig Mobiel Netwerk heeft de verschillende visies en belangen afgewogen. De stralingsintensiteit gaat nu tot 10.000 micowatt per vierkante meter, terwijl 100 genoeg zou zijn. Daarmee zouden de klachten, zoals hoofdpijn, migraine, concentrtatieproblemen of een opgejaagd, onprettig gevoel niet meer optreden. Het Kennisplatform roept al vanaf mei 2007 tevergeefs de betrokken (belangen)groeperingen op te reageren. De Gezondheidsraad, de in Monet verenigde aanbieders van mobiele netwerken en het Antennebureau van de landelijke overheid hebben nog niets gezegd. De GGD’s  als enige wel.

Hoe zit dat? De Gezondheidsraad stelt zich op het standpunt dat er eerst eenduidig wetenschappelijk onderzoek moet zijn, dat bewijst dat de straling ongezond is. De vele onderzoeken die dat tot onderwerp hebben maar niet 100% kunnen bewijzen ten spijt. Monet is bang voor schadeclaims als zij erkent dat er gezondheidseffecten kunnen zijn. En het Ministerie van Economische Zaken is niet onafhankelijk omdat zij miljarden heeft verdiend door de aanbieders van mobiele telefonie stralingslicenties te verkopen. Allemaal factoren waardoor de pragmatische oplossing, waarbij voor alle belangen en visies respect is, niet tot stand komt.

Is ons politiek-maatschappelijk bestel wel ingericht op het overbruggen van belangentegenstellingen? Is de macht van burgers wel voldoende in evenwicht met die van bedrijven? Zo te zien moet er eerst structureel wel het een en ander veranderen voordat
machtsposities in evenwicht zijn, zodat gezamenlijk zoeken naar oplossingen wederzijds voordeel oplevert. Met name het recht van bedrijven om kosteloos het milieu te mogen belasten geeft hen een onevenredig voordeel. Ook zou de overheid om als onafhankelijke instantie boven de partijen geloofwaardig te zijn zichzelf geen economische rechten moeten toekennen. Economische rechten zouden in onze juridische structuur evenveel gewicht moeten krijgen als sociale en culturele rechten. Binnen het integrale wereldbeeld zijn de economische, sociale en culturele aspecten gelijkwaardig. Om het integrale wereldbeeld vaste grond onder de voeten te geven is een verandering van de huidige
maatschappelijke structuur nodig.

 

 

Terugblik 2011: Waarom het Alkmaars college gevallen is

Politiek is mensenwerk. Op 10 maart 2011 bracht de fractievoorzitter van het CDA het Alkmaarse college ten val. Omdat het ziekenhuis MCA besloten heeft haar nieuwbouw niet in Alkmaar of De Schermer, maar in Heerhugowaard neer te zetten. CDA-fractievoorzitter Henk Adriaanse heeft nu het gevoel, dat zijn linkse coalitiepartners hem in de kou hebben laten staan bij zijn vele pogingen om het ziekenhuis binnen de stadsgrenzen te houden. Daarom wil hij niet met hen verder. De ratio achter de coup lijkt ver te zoeken. Het ziekenhuis zal hij zo niet terug krijgen. Tot grote verbazing van veel mensen lijkt een persoonlijke emotie de doorslag te geven en schuift het CDA na een jaar samenwerken de coalitie ineens aan de kant. Hoe is het mogelijk, dat op grond van emotie de stad bestuurd wordt? Dat is toch in hoge mate onverantwoordelijk?

In het presidium van de Alkmaarse gemeenteraad heeft CDA fractievoorzitter Henk Adriaanse nader hoe hij tot zijn coup is gekomen. Ter herinnering: met een Motie van Wantrouwen bracht hij op 10 maart het college ten val, inclusief zijn eigen CDA wethouder. Na de brief van 3 maart waarin van het college meedeelde dat het Medisch Centrum Alkmaar voor Heerhugowaard had gekozen als locatie voor haar nieuwbouw, kreeg Henk vele mailtjes, vertelde hij. Verhuizing van het ziekenhuis was slecht voor de
economie van de stad, het college maakte een slechte beurt, dat was de boodschap. Hij besloot een daad te stellen. Hij stapte naar de oppositie om het college te laten vallen. Omdat hij bang was dat zijn coup zou mislukken als hij open kaart speelde, zo vertelde Henk, antwoordde hij met neen op de vraag van zijn coalitiepartners of hij van plan was een motie van wantrouwen te steunen of in te dienen.

Dat is nogal wat. Als een minister liegt tegen het parlement, wordt dat doorgaans gezien als een politieke doodzonde. Waarom zou dat niet gelden voor het liegen tegen je coalitiepartners? Door zo te handelen maakte hij zich een onbetrouwbare partner. Hij kon ervan uitgaan dat de coalitiepartijen PvdA, GroenLinks en D66 hem in de toekomst niet meer als een aantrekkelijke partner zouden zien. Hij gooide hiermee immers de resultaten van een jaar samenwerken in de coalitie zonder geldige opgaaf van redenen in de prullenbak. Op deze manier en ook op geen enkele andere manier kon hij immers het MCA
behouden voor de stad. Daarvoor deed hij het dan ook niet. Als het werkelijk zou zijn gegaan om het MCA en om de stad, zou het CDA zelfstandig uit het college hebben kunnen stappen. Zo zou de partij verantwoording hebben afgelegd voor de mislukte pogingen van het college, inclusief de CDA, om het ziekenhuis te behouden. Dat zou een eerlijk gebaar van betekenis zijn geweest. Maar daar koos hij niet voor. Het belangrijkste voor Henk was kennelijk de schuld in de schoenen van andere partijen te schuiven en de weg voor het CDA vrij te houden om terug te keren in een nieuw college. Voorafgaand aan zijn publieke afkeuring van het oude college wilde hij weten dat zijn partij gewoon terug kon komen in
het nieuwe college. Dat was niet de erkenning van mede-verantwoordelijkheid, dat was het ontkennen van verantwoordelijkheid. Dat was het stellen van het partijbelang boven het stadsbelang.

Henk Adriaanse heeft mij niet kunnen overtuigen met zijn twee gezichten. Niet met zijn visionaire blik. Zijn optreden heeft ook niet tot resultaat voor de stad geleid. Als alleen het nauwelijks verholen gevecht om de macht overblijft als drijfveer van politiek handelen, zoals hier het geval is, leidt dat terecht tot een cynisch beeld bij de burger over “de
politiek”. Helaas straalt dat af op alle politieke partijen. Alleen het oprecht samen verantwoordelijkheid nemen voor een goed bestuur kan dat beeld doorbreken. Het tegenovergestelde is gebeurd. Een weinig opwekkend politiek drama.

 

bewerking van op 27 maart 2011 geschreven blog

Scheve verdeling opbrengst globalisering gunstig voor populariteit Wilders?

De angst voor de gevolgen van globalisering wordt vaak genoemd als voedingsbodem voor het succes van Wilders. “De Chinezen veroveren de wereldeconomie en dat gaat ons banen kosten”, denken veel mensen. Economen beweren daarentegen dat echte vrijhandel wederzijds voordeel oplevert. Hoe moet de wereldeconomie dan ingericht worden? Nobelprijswinnaar Jozeph Stiglitz schrijft in Eerlijke globalisering dat dit zeker mogelijk is. Hoe moeten we ons dat voorstellen? En helpt het tegen Wilders? Zullen mensen dan minder angst hebben voor de toekomst?

Een werkelijk vrije markt bestaat alleen onder ideale condities. Zoals volledige  werkgelegenheid, volkomen concurrentie, perfecte risicomarkten – risico’s bij de risicoveroorzakers – en gelijke toegang tot informatie. Die zijn er nooit. Daarom zijn overheden nodig om de gevolgen van het ontbreken van de perfecte condities te corrigeren. Voor een goed functionerende markteconomie is bijvoorbeeld adequate overheidsregulering van de kapitaalmarkt nodig, maar ook zaken als werkgelegenheidsbeleid, goed onderwijs en goede gezondheidszorg.

En hoe gaat het met de regulering van de wereldmarkt? Als chef-econoom van de Wereldbank en topadviseur van president Clinton zag Stiglitz hoe het werkt. Bij onderhandelingen over vrijhandel hebben rijke, Westerse multinationals een onevenredig grote invloed. Lobby door het bedrijfsleven wordt als vanzelfsprekend gezien. Bij  conflicten hebben zij ook enorme bedragen beschikbaar voor het voeren van juridische procedures, in tegenstelling tot ontwikkelingslanden. Het democratisch gehalte van internationale bestuursorganen is laag. Onderhandelingen over handelsliberalisering vinden achter gesloten deuren plaats. Organisaties als IMF en Wereldbank worden
bestuurd door de rijke landen en bewaken de belangen van Westerse banken veel beter
dan van bevolkingen van arme landen.

De revenuen van handelsliberalisering waren in 2000 als volgt verdeeld. De bevolking
van de rijke landen – 15% van de wereldbevolking – kreeg 70% van de opbrengst.  Dat was 350 miljard dollar per jaar. Ontwikkelde landen leggen gemiddeld vier keer zo hoge invoerheffingen op als ontwikkelingslanden. De liberalisering van kapitaalstromen – voornamelijk gunstig voor rijke landen – was wel geregeld, maar de liberalisering van arbeid (waar ontwikkelingslanden veel van hebben) nauwelijks. Corrupte regimes, die vaak de grondstoffen van hun land verkopen aan het Westen en de opbrengst in eigen zak steken, worden van wapens voorzien door het Westen. Als een dictator verjaagd is door de bevolking, stelt het IMF als eis dat de door het corrupte regiem gemaakte schulden wel moeten worden afbetaald aan de Westerse banken.

Dat moet beter kunnen. Neem de landbouwsubsidies. In de Verenigde Staten krijgen
25.000 katoenboeren op onvruchtbare grond jaarlijks gemiddeld 160.000 dollar subsidie.
Daarmee duperen zij 10 miljoen Afrikaanse boeren, die de Amerikaanse boeren er anders uit zouden concurreren, want de natuurlijke condities voor katoenproductie zijn er veel beter. Als zij hun katoen aan de VS zouden kunnen verkopen, zouden ook de Amerikaanse consumenten daarvan profiteren. Nu betalen Amerikanen niet alleen voor katoen maar ook extra belasting voor de subsidies aan boeren.

Als de globalisering eerlijker zou zijn geregeld, worden daar natuurlijk ook groepen op de korte termijn door gedupeerd, zoals bijvoorbeeld die katoenboeren in de VS. Een hervorming van de mondiale kapitaalmarkt zou fondsen kunnen opbrengen om voor hen overgangsregelingen te treffen. Met bedragen die een fractie zijn van wat nu wordt besteed aan de bankencrisis zouden we een heel eind komen.

Stel je nu eens voor dat we IMF en Wereldbank inderdaad de opdracht zouden geven om
ook  de belangen van de bevolking van ontwikkelingslanden te beschermen. En dat de onderhandelingen over handelsliberalisatie niet meer vooral als lobby gebruikt worden, maar moeten bewaken dat de voordelen evenwichtig aan alle betrokkenen ten goede komen. Zouden mensen dan meer vertrouwen krijgen in de toekomst? Zou dat de impasse doorbreken waarin de Westerse wereld zich bevindt? Zouden mensen dan weer meer in het nut van politieke participatie gaan geloven? Wat denkt u, lezer?

Volkskrant peilt kader GroenLinks over aanblijven Mariko Peters

Vandaag start De Volkskrant een discussie in GroenLinks over het aanblijven van Mariko Peters. Ik heb de krant ook te woord gestaan. Maar ik heb iets meer gezegd dan er nu staat. En het belangrijkste staat er juist niet. De hoofdzaak voor mij is of zij destijds integer heeft gehandeld. En niet of zij zich letterlijk aan de gedragscode heeft gehouden.

Als zij nog geen echte relatie had (tja, waar ligt de grens?) kan ik mij heel goed voorstellen, dat ze nog niet naar haar baas is gegaan om te vertellen dat ze wat had met deze man. Ik vermoed dat het zo gegaan is. Hoe de relatie zich ontwikkeld heeft, staat in het rapport van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het ministerie komt in haar onderzoek tot de conclusie dat er geen belangenverstrengeling is geweest. Maar dat Mariko Peters om de schijn daarvan te vermijden wel haar privxe9-relatie had moeten melden. Zij heeft integer gehandeld, maar zich niet aan de gedragscode gehouden.

Is dat zo ernstig, dat ze geen Kamerlid meer zou kunnen zijn? Ik meen van niet. Ik werk in de zorg. Daar heb ik met tientallen gedragsprotocollen te maken. Maar ik wil geen automaat te zijn. Ik ben een mens van vlees en bloed. En werk met clixebnten die ik graag als individuele mensen wil zien. Waar ik niet op een standaard-manier mee om wil gaan. Ik wil hen gewoon kunnen zien als medemensen. Protocollen zijn richtlijnen. Ze dienen ervoor om je werk goed te doen. Ook een goede politicus is voor mij een mens van vlees en bloed. Die vooral betrokken en integer moet zijn. En voor wie gedragscodes een richtlijn zijn om het werk goed te kunnen doen. Niet meer en niet minder dan dat.

Rapport Ministerie BuZa zie:

http://minbuza.nl/dsresource?objectid=buzabeheer:297464&type=org